Vleesetende
planten
|
|
Venus Vliegenvanger (zie een kooi met tralies) |
|
Insecten in de val Dieren eten planten. Maar andersom gebeurt ook. Vleesetende planten groeien op plaatsen waar de grond arm is. Planten kunnen niet op zoek naar voedsel zoals dieren dat doen. Ze staan met hun wortels in de grond verankerd. Groene planten maken zelf hun voedsel. Van water en kooldioxide (een gas uit de lucht) maken ze dankzij hun bladgroenkorrels onder invloed van zonlicht suiker. Ook de vleesetende planten doen dat. Maar behalve suiker heeft een plant ook mineralen en andere voedingsstoffen nodig om gezond te blijven. Zoals wij vitamines nodig hebben, heeft een plant 'voedingsstoffen' nodig. Die haalt hij met de wortels uit de grond. In sommige gebieden zoals zand-, heidegronden en moerassen zijn weinig voedingsstoffen in de grond te vinden. Vleesetende planten die daar leven lokken daarom insecten in de val. Hun voedingsstoffen komt dan vanzelf naar ze toegevlogen! |
|
Een voedzaam soepje De meeste vleesetende planten zijn beker- of kelkvormig. Aan de rand bij de ingang zitten klieren die nectar maken; een zoete, geurende vloeistof waardoor insecten worden gelokt. De insecten gaan de beker in, op zoek gaan naar nóg meer lekkers. Daar belanden ze in een waterbad waaruit ze niet meer kunnen ontsnappen. De binnenkant van de wand is zó glad en glibberig dat de insectenpootjes er geen grip op hebben. Ze verdrinken. De vloeistof in de beker bevat bacteriën of verteringssappen. Die werken in op het insect, net als maag- en darmsappen bij mensen en dieren. Zo verandert het water in de beker in een voedzaam soepje met alle stoffen die de plant nodig heeft. De gele trompetbekerplant uit het zuiden van de Verenigde Staten is de grootste vleeseter onder de planten. Hij wordt wel een meter hoog. |
![]() Insecten worden naar de beker gelokt |
![]() In grote bekerplanten zit wel eens een kikker op de loer |
Gasten Grote bekerplanten worden soms bezocht door andere insecteneters. Zo zit er wel eens een kikkertje bovenin te wachten op een lekker hapje. Als hij te diep de plant ingaat, glijdt hij over de gladde randen naar beneden. Hij kan niet meer ontsnappen en wordt verteerd. Larven van verschillende insecten zijn ongevoelig voor de verteringssappen uit de vleesetende bekerplanten; zij kunnen er in leven zonder er last van te hebben. Ze eten de onverteerbare resten die achterblijven op de bodem van de kelk. De bekerplanten hebben daar óók baat bij. Want de resten kunnen gaan rotten als ze lange tijd op de bodem blijven liggen. De Dracula's bekerplant heeft zelfs een speciaal kamertje waarin mieren leven. Die nemen zo nu en dan een duik in de beker om er iets lekkers uit te halen. |
Zonnedauw Bij de voedselarme moerassen in Europa groeit de zonnedauw. Ook in Nederland komt dit kleine vleesetende plantje voor. Het is ongeveer net zo groot als een madeliefje. Zonnedauw is géén bekerplant. Hij heeft blaadjes met haren die aan de rand wel 1 centimeter lang kunnen zijn. Aan de toppen van de haren glinsteren kleverige druppels. Dat is geen zoete nectar, maar de nieuwsgierige insecten komen er wel op af. Als de plant voelt dat er een prooi is geland, buigen de haren zich over de buit. De verteringsstof in de druppels doen hun werk en veranderen de mug of vlieg in een voedzaam papje. |
|
Een kooi met tralies Bij sommige Noord-Amerikaanse moerassen groeit de Venus' vliegenval. De blaadjes hebben de vorm van een openstaande mossel. Aan de randen zit een rij stekels. De blaadjes maken nectar. Het blad heeft aan de binnenkant 'tastharen' die voelen of er een insect loopt. Als dat zo is, klappen de twee helften plotseling samen. De stekels aan de randen vallen keurig in elkaar en vormen een stevige tralie zoals bij een kooi. Ze houden het insect gevangen; er is geen ontsnapping meer mogelijk. Als het insect spartelt, worden de tastharen geprikkeld en klemmen de bladhelften nóg krachtiger in elkaar. Daarna wordt het gevangen insect langzaam verteerd... |
|